Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Artikel 11

Onderdeel van Handels- en scheepvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zuidslavië· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 17 april 1932

1. Ingeval een schip van een der Hooge Verdragsluitende Partijen is gestrand of heeft schipbreuk geleden op de kust of in de wateren van de andere Partij, zal, in dezelfde mate als aan de nationale schepen, hulp en bijstand worden verleend aan den kapitein, de bemanning en de passagiers, zoowel ten behoeve van henzelf en van hun goed, als ten behoeve van het schip en van de lading. 2. De betrokken consulaire ambtenaar zal gemachtigd zijn om hulp en bijstand te verleenen in het geval dat de kapitein of elke andere vertegenwoordiger van den reeder of van den verzekeraar afwezig is of, aanwezig zijnde, den bijstand van den bedoelden consulairen ambtenaar heeft ingeroepen. 3. Zoowel het schip en de bemanning, als de passagiers en de lading zullen dezelfde gunsten en vrijdommen genieten als de wetten en verordeningen van de onderscheiden landen in overeenkomstige omstandigheden aan de nationale schepen of aan die van de meestbegunstigde natie verleenen of zullen verleenen. De autoriteiten van het land, waar de schipbreuk heeft plaats gehad, hebben steeds het recht om ten aanzien van het schip, dat schipbreuk heeft geleden, die maatregelen te nemen, welke zij noodig oordeelen met het oog op de veiligheid van de scheepvaart of ter bescherming van de kunstwerken aan de kust, de havens, of de waterwegen. 4. Wat betreft het hulploon zal de wetgeving van het land, waar de redding heeft plaats gehad van toepassing zijn. 5. De van een schip, dat gestrand is of schipbreuk heeft geleden, geborgen waren, zullen aan geen douanerecht onderhevig zijn tenzij zij ten gebruike in het binnenland worden toegelaten

Rechtspraak bij dit artikel