De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen om Hun diplomatieke betrekkingen voort te zetten in overeenstemming met de grondbeginselen en de practijk van het algemeene internationale recht. Zij komen overeen, dat de diplomatieke vertegenwoordigers van elk Harer op het grondgebied van de andere, onder voorwaarde van wederkeerigheid, de door de grondbeginselen en de practijk van het algemeene internationale recht bevestigde behandeling zullen genieten, een behandeling, die in geen enkel geval, minder gunstig kan zijn, dan die wordt toegekend aan de diplomatieke vertegenwoordigers van de meest begunstigde natie.
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Vriendschapsverdrag tussen Nederland en Perzië· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 17 januari 1931