Naar hoofdinhoud

AFDEELING I › Paragraaf

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de grensscheiding, met Reglement voor het plaatsen van grenspalen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 3 oktober 1843

§ 1. Overal, waar de Maas de grens tusschen de beide Staten daarstelt, kan men voor het onderhoud van derzelver oevers slechts eenvoudige verdedigings-werken maken, zoo als oeverbekleedingen in drooge of gemetselde steenen, sprei- of beslag-werken, pakbermen, bleeswerken enz., evenwijdig loopende met den oever, en wier kruinsbreedte, in de rivier vooruitspringende, geen vier ellen (mètres) te boven gaat. Men zal zelfs die werken alleen dààr mogen aanleggen, waar de stroom de oevers heeft beschadigd, en geenszins waar de gesteldheid van den oever eene strekking ter vorming van eenigen aanwas van land aanduidt. § 2. Elk werk van offensieven aard, hetwelk den loop des strooms veranderen en daardoor aan den tegenover liggenden oever schade zoude kunnen veroorzaken, als daar zijn: kribben, dammen, bollen of koppen, triangels, dammen of andere opstuwingen en verdere in de rivier vooruitspringende werken, behalve die, welke in de vorige paragraaph worden toegelaten, mogen in geen geval aangelegd worden, dan met gemeen overleg der beide mogendheden. § 3. Van de, in de vorige paragraaph genoemde beperkingen, zijn de gevallen uitgezonderd, dat de rivier, ten gevolge van eenig ongeval, eenen geheel nieuwen loop mogt genomen hebben, en dat het er op aan zoude komen, dezelve het vorig bed te doen hernemen, in welke gevallen voorzien is bij art. 11, hierna volgende. § 4. Geen nieuwe dijk, dam of opstuwing, geen rijs of ander plantsoen, hoegenaamd, mag, noch op den oever of op de aanslibbingen welke nog een deel uitmaken van het bed der rivier, noch op eilanden of eilandjes, noch dwars door de takken der rivier die de eilanden van den oever scheiden, worden aangelegd, anders dan onder bewilliging der beide gouvernementen. § 5. Onder de bovengenoemde soort van werken is ook elke ophooging van den oever begrepen, zelfs ter plaatse waar de toegangen zijn tot de veren. § 6. Geene der beide mogendheden mag visscherijen daarstellen, of laten daarstellen, door middel van afperking of anderzins, waardoor eenige de minste stremming in den stroom veroorzaakt zoude kunnen worden, of wel eenige ophooping van slijk, geschikt om aanwas van grond te weeg te brengen, ontstaan konde. § 7. Bij het aanleggen van waterbouwkundige werken, voor het onderhoud der oevers en van den Thalweg der Maas, tot welker uitvoering de noodige magtiging mogt verleend zijn, zal het beheer in beide landen verpligt zijn, het weghalen van zand of kiezel, zoo noodig, van den oeverkant gemakkelijk te maken, voor zoo verre deze oever zelve niet beschadigd is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel