De Belgische Regering verbindt zich op het gedeelte van het kanaal van Gent naar Terneuzen, gelegen op haar grondgebied, de werken uit te voeren, welke ten doel hebben:
het afsnijden van bogten, welke aan de scheepvaart hinderlijk zijn.
het verdiepen van het kanaal, zoodat de bodem ligt 2.10 M. onder den bovenslagdorpel van de bestaande schutsluis te Sas van Gent.
Echter zal, te beginnen bij een punt, op twee kilometers afstands boven de nieuw te bouwen sluis te Sas van Gent, de kanaalbodem worden aangelegd volgens een hellend vlak, dat eene lengte heeft van een kilometer en aan het benedeneinde op eene diepte ligt van 2.50 M. onder peil.
het verbreeden van het kanaal, zoodat het eene regelmatige bodemsbreedte verkrijgt van 17 M. gemeten op 2.10 M. onder peil.
Dezelfde afmeting van 17 meters zal worden aangenomen voor de wijdte van de bruggen, welke over dit gedeelte van het kanaal moeten worden gelegd.
De taluds van het kanaal zullen worden opgezet, òf onder eene helling van ongeveer 3 op 1, òf onder eene helling van ongeveer 2½ op 1, maar alsdan aan beide zijden van het kanaal, ter hoogte van den waterspiegel, met een waterberm van één meter breedte.
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betrekkelijk de verbetering van het Kanaal van Gent naar Terneuzen en het naasten van de spoorweg van Antwerpen naar het Hollandsch Diep, met de zijtak van Roosendaal naar Breda· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 28 april 1880