Naar hoofdinhoud

Artikel 28

Artikel 28

Onderdeel van Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 7 augustus 1816

De eilanden in de Moezel, de Sure en de Oure, die door den voornamen stroom van derzelver gemeenten afgescheiden zijn, zullen gerangschikt worden in de klasse der doorsneden onderhoorigheden, waarvan in het artikel hierboven is melding gemaakt, en zullen behooren aan den Staat aan wiens oever zij gelegen zijn; de anderen blijven steeds een deel uitmaken hunner gemeente en aan het Koningrijk behooren, waarvan die gemeenten een gedeelte uitmaken; in geval het twijfelachtig mogt zijn, aan welken kant de voornaamste stroom loopt, zullen de eilanden aan de gemeenten blijven, waartoe dezelve behooren, en, ingeval die gemeenten, bij het tegenwoordige tractaat mogten verdeeld zijn, zullen zij dat gedeelte volgen, alwaar zich de hoofdplaats bevindt. Dien ten gevolge zullen de eilanden in de Moezel, genaamd: 1°. Klein-Besch, behoorende tot de gemeente Wintringen, 2°. de beide Remichen, behoorende tot de gemeente van dezelfden naam; 3°. Womeldingen, behoorende tot de gemeente van denzelfden naam, aan het Koningrijk van Pruissen behooren. De andere eilanden, mede in de Moezel gelegen, te weten: 1°. het eiland Remichen, behoorende tot gemeente van denzelfden naam, 2°. Groot-Besch, behoorende tot de gemeente Schwebsingen, 3°. Macher, behoorende tot de gemeenten van denzelfden naam, en 4°. de vier eilanden, behoorende tot de gemeente Stadbredimus, zullen tot het Koningrijk der Nederlanden behooren. — Het lot den kleine onbebouwde en weinig belangrijke eilanden, die in de Sure en in de Oure liggen, zal geregeld worden volgens de bovengemelde grondbeginselen, door de met het plaatsen der grenspalen belaste commissarissen. In alle geval zal het bij Esternach gelegen kleine eiland, omtrent een derde bunder groot, aan het Koningrijk der Nederlanden blijven behooren.

Rechtspraak bij dit artikel