Ingevolge deze beide grondbeginselen zal Oberbillig, op den regter oever van de Moezel gelegen, tot het Koningrijk der Nederlanden behooren, als zijnde eene onderhoorigheid van Wasserbillig, met hetwelk het eene en dezelfde gemeenteplaats uitmaakt. Zoodat de grenslijn tot het grondgebied van Wasserbillig op den regteroever gekomen, de Moezel verlaten en om dit gebied heen loopen zal.
De gemeente Vianden, op beide zijden der Oure gelegen, zal insgelijks, tot het Koningrijk der Nederlanden behooren, met haar gansche grondgebied, van hetwelk de hoeve genaamd Scheuerhoff erkend is een gedeelte uit te maken; zoodat de grenslijn alhier de Oure zal verlaten, zoo als dezelve de Moezel te Wasserbillig verlaten heeft, en om het gedeelte van het grondgebied van Vianden, op den linker oever gelegen, heen loopen zal, om vervolgens den loop der rivier weder te volgen.
Al de andere gemeenten, waarvan alleen het grondgebied wordt doorsneden, zoo door de Moezel als door de Sure en de Oure, en met name die van Langsur, Meesdorff, Born, Ralingen, Echtimach, Bollendorff, Dilgen, Wallendorff, Amildingen, Bivels, Falkenstein, Gemund, Dasburg, en zelfs Wasserbillig voor het klein gedeelte van het grondgebied gelegen op den linkeroever van de Sure, zullen in de tweede rangschikking geplaatst worden, en hare door de rivier afgesneden gedeelten zullen afgescheiden blijven; zoodat de rivier zelve in alle die gevallen tot grensscheiding voor de beide staten dienen zal.
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 7 augustus 1816