Naar hoofdinhoud
1. Met inachtneming van de bepalingen van dit artikel zijn de autoriteiten van de Verenigde Staten in het grondgebied van het Caribische deel van het Koninkrijk bevoegd tot het uitoefenen van strafrechtelijke en disciplinaire rechtsmacht over personeel van de Verenigde Staten. 2. De autoriteiten van de Verenigde Staten zijn bevoegd tot het uitoefenen van exclusieve rechtsmacht over personeel van de Verenigde Staten dat onder de wetgeving van de Verenigde Staten valt ten aanzien van vergrijpen, met inbegrip van vergrijpen die verband houden met haar veiligheid, die op grond van de wetgeving van de Verenigde Staten strafbaar zijn, maar niet op grond van de wetgeving van het Koninkrijk. De bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk zijn bevoegd tot het uitoefenen van exclusieve rechtsmacht over personeel van de Verenigde Staten ten aanzien van vergrijpen, met inbegrip van vergrijpen die verband houden met de veiligheid van het Koninkrijk, die op grond van de wetgeving van het Koninkrijk strafbaar zijn, maar niet op grond van de wetgeving van de Verenigde Staten. Ten behoeve van dit lid en van het derde lid van dit artikel wordt onder vergrijpen gericht tegen de veiligheid van een partij mede verstaan verraad, sabotage, spionage of schending van een wet die betrekking heeft op de officiële geheimen van die partij of geheimen die betrekking hebben op haar landsverdediging. 3. In gevallen waarin sprake is van samenloop van rechtsmacht gelden de volgende regels: De autoriteiten van de Verenigde Staten hebben voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht over personeel van de Verenigde Staten met betrekking tot: vergrijpen die uitsluitend gericht zijn tegen de eigendommen of veiligheid van de Verenigde Staten of vergrijpen die uitsluitend gericht zijn tegen een lid of eigendommen van het personeel van de Verenigde Staten; vergrijpen die voortvloeien uit handelen of nalaten tijdens de uitoefening van officiële taken, zoals vastgesteld door de Verenigde Staten volgens hun militaire procedures. Het Koninkrijk kan de Verenigde Staten verzoeken af te zien van haar voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht over personeel van de Verenigde Staten in gevallen die voor het Koninkrijk van bijzonder belang zijn. In dergelijke gevallen plegen de partijen overleg teneinde elkaars legitieme belangen te waarborgen. De bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk hebben voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht ten aanzien van overige vergrijpen. 4. Het Koninkrijk doet afstand van zijn recht, zoals vervat in dit artikel, tot het uitoefenen van strafrechtelijke rechtsmacht over personeel van de Verenigde Staten uitgezonderd in gevallen die voor het Koninkrijk van bijzonder belang zijn. Indien het Koninkrijk vaststelt dat een geval van bijzonder belang is, stelt het de autoriteiten van de Verenigde Staten daarvan in kennis binnen veertien dagen na de ontdekking, door een bevoegde autoriteit van het Koninkrijk, van het vermeende vergrijp dat aanleiding was voor het besluit. In dergelijke omstandigheden kunnen de Verenigde Staten het Koninkrijk verzoeken in overleg te treden en af te zien van het recht tot het uitoefenen van zijn rechtsmacht over het specifieke geval van bijzonder belang. De partijen plegen vervolgens overleg teneinde elkaars legitieme belangen te waarborgen en streven ernaar dit overleg binnen dertig dagen af te ronden of zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is daarna. De Verenigde Staten mogen rechtsmacht uitoefenen over personeel van de Verenigde Staten met betrekking tot gevallen ten aanzien waarvan het Koninkrijk heeft afgezien van zijn recht tot het uitoefenen van rechtsmacht. 5. De voorgaande bepalingen van dit artikel verlenen de autoriteiten van de Verenigde Staten niet het recht rechtsmacht uit te oefenen over personen die onderdaan van het Koninkrijk zijn of die hun normale verblijfplaats in het Caribische deel van het Koninkrijk hebben, tenzij zij tevens behoren tot het personeel van de Verenigde Staten. 6. De bevoegde autoriteiten van de partijen staan elkaar bij de aanhouding van personeel van de Verenigde Staten en bij hun overlevering aan de autoriteit die in overeenstemming met de bovenstaande bepalingen rechtsmacht dient uit te oefenen. De bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk stellen de autoriteiten van de Verenigde Staten onverwijld in kennis van de aanhouding van personeel van de Verenigde Staten en de ontdekking van een vergrijp waarvan gesteld wordt dat deze is gepleegd door personeel van de Verenigde Staten. 7. De bevoegde autoriteiten van de partijen verlenen elkaar bijstand bij de uitvoering van alle nodige onderzoeken ter zake van vergrijpen en bij het bijeenbrengen en overleggen van bewijsmateriaal, met inbegrip van inbeslagname en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, overdracht van voorwerpen die verband houden met een vergrijp. De overdracht van dergelijke voorwerpen kan evenwel geschieden onder de voorwaarde dat zij binnen de door de autoriteit die ze overdraagt aangegeven termijn worden geretourneerd. De bevoegde autoriteiten van de partijen stellen elkaar in kennis van de afdoening van alle zaken die voortvloeien uit handelingen van personeel van de Verenigde Staten op het grondgebied van het Caribische deel van het Koninkrijk. 8. Het Koninkrijk verleent personeel van de Verenigde Staten immuniteit ten aanzien van civielrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtsmacht ten aanzien van handelingen verricht bij de uitoefening van hun officiële taken. 9. De vaststelling van de Verenigde Staten of handelen of nalaten plaatsvond in het kader van de uitoefening van een officiële taak wordt niet onderworpen aan rechterlijke toetsing.

Rechtspraak bij dit artikel