Vermits de op de grenzen wonende Hanoversche bouwman Bucht, met zijn vee en hetgene tot bedrijf van den akkerbouw benoodigd is, niet op zijne op Hanoversch territoir gelegen landerijen kan komen, zonder het Nederlandsch grondgebied te passeren, waartoe hij te voren steeds is geregtigd geweest, zoo zal hem van zijne schuur tot aan den oostelijk van de in art. 14 gemelde Breckelenkamper eikenkamp gelegen slagboom in deszelfs heggen, langs welke de grenslijn zuidoostelijk heen loopt, een weg van zes Nederl. ellen twee palmen of twintig rijnlandsche voeten breedte over de territoriale linie en ter lengte van circa honderd acht en tachtig à twee honderd zes en twintig ellen Nederlandsch of vijftig á zestig rijnl. roeden, voor altijd verblijven.
Artikel 16
Artikel 16
Onderdeel van Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 24 september 1824