**Par. 1.** De bepalingen der artikelen CVIII tot en met CXVII van de Algemene Akte van het Congres van Wenen betreffende de vrije scheepvaart op de stromen en bevaarbare rivieren zullen toepasselijk worden gemaakt op de stromen en bevaarbare rivieren, die het Belgische grondgebied en het Hollandse grondgebied scheiden of gelijkelijk doorlopen.
**Par. 2.** Wat meer bijzonder de scheepvaart op de Schelde en haar monden betreft, is overeengekomen, dat zowel het loodswezen en de betonning als het onderhoud der zeegaten van de Schelde beneden Antwerpen aan een gemeenschappelijk toezicht zullen worden onderworpen en dat dit gemeenschappelijk toezicht door wederzijds daartoe benoemde commissarissen zal worden uitgeoefend. In gemeenschappelijk overleg zullen gematigde loodsgelden worden vastgesteld en deze gelden zullen voor de schepen van alle naties dezelfde zijn.
Intussen en tot de vaststelling dier rechten zullen geen hogere loodsgelden kunnen worden geheven dan die, welke bij het tarief van 18291)[Red: Bedoeld is: het in 1829 geldende tarief.] voor de monden van de Maas van de volle zee tot aan Hellevoet en van Hellevoet tot aan Rotterdam zijn vastgesteld, naar evenredigheid van de afstanden. Het zal aan de keus van elk schip staan, dat zich langs de Schelde uit volle zee naar België of van België naar volle zee begeeft, om zodanige loods te nemen als het zal wensen en het zal dienovereenkomstig aan beide landen vrijstaan, langs de gehele loop der Schelde en aan haar mond de diensten voor het loodswezen te vestigen, die voor het verschaffen der loodsen noodzakelijk geacht zullen worden. Al wat op die instellingen betrekking heeft, zal bij het in overeenstemming met de hierna volgende par. 6 vast te stellen reglement worden bepaald. De dienst dezer instellingen zal onder het gemeenschappelijk toezicht staan, waarvan in het begin dezer paragraaf melding is gemaakt. De beide Regeringen verbinden zich, ieder voor haar gedeelte der rivier, de bevaarbare zeegaten van de Schelde en van haar monden in goede staat te behouden en daar de nodige tonnen en boeien te plaatsen en te onderhouden.
**Par. 3.** Er zal door de Nederlandse Regering op de vaart op de Schelde en haar monden een enig recht van f 1,50 per ton worden geheven, te weten f 1,12 van de schepen die, uit volle zee komende, de Wester-Schelde zullen opvaren om zich langs de Schelde of door het kanaal van Terneuzen naar België te begeven; en van f 0,38 per ton van de schepen die, langs de Schelde of door het kanaal van Terneuzen uit België komende, de Wester-Schelde zullen afvaren om zich naar volle zee te begeven. En opdat de genoemde schepen niet aan enig onderzoek, noch aan enige vertraging of enigerlei belemmering op de Hollandse reden onderworpen kunnen worden, hetzij zij uit volle zee de Schelde opvaren, hetzij zij de Schelde afkomen om zich naar volle zee te begeven, is overeengekomen, dat de heffing van het bovenvermelde recht door de Nederlandse Agenten te Antwerpen en te Terneuzen zal plaats hebben. Evenzo zullen de schepen, die uit volle zee aankomen om zich langs de Wester-Schelde naar Antwerpen te begeven en komen van plaatsen, welke met betrekking tot de gezondheidstoestand verdacht zijn, de reis zonder belemmering of vertraging, vergezeld van een gezondheidswacht, mogen voortzetten en zich zo naar de plaats hunner bestemming mogen begeven. De schepen, die zich van Antwerpen naar Terneuzen en vice versa begeven of op de rivier zelf de kustvaart of de visvangst bedrijven (zoals de uitoefening van deze laatste ingevolge de hierna volgende par. 6 zal worden geregeld), zullen aan generlei recht onderworpen zijn.
**Par. 4.** De tak der Schelde, die de Ooster-Schelde heet en die bij de tegenwoordige plaatselijke gesteldheid niet tot de vaart uit volle zee naar Antwerpen en naar Terneuzen en vice versa maar voor de vaart tussen Antwerpen en de Rijn gebruikt wordt, zal langs zijn gehele loop met geen hogere rechten of tolgelden kunnen worden bezwaard dan die, welke volgens de tarieven van Mainz van de 31ste maart 1831 op de vaart van Gorinchem tot aan de volle zee worden geheven, naar evenredigheid van de afstanden.
**Par. 5.** Insgelijks is overeengekomen, dat de scheepvaart op de binnenwateren tussen de Schelde en de Rijn om van Antwerpen naar de Rijn te komen en vice versa, wederkerig vrij zal blijven en slechts aan gematigde tolgelden zal worden onderworpen, die voor de handel van beide landen dezelfde zullen zijn.
**Par. 6.** Commissarissen van beide zijden zullen binnen de tijd van een maand te Antwerpen bijeenkomen, zowel om het bedrag dier tolgelden bepaaldelijk en op een blijvende voet vast te stellen, als om nopens een algemeen reglement tot uitvoering der bepalingen van dit artikel overeen te komen, en om daarbij de uitoefening van het recht der visserij en van de vishandel over de gehele uitgestrektheid der Schelde, op de voet van volkomen wederkerigheid en gelijkheid ten behoeve van de onderdanen van beide landen, in te begrijpen.
**Par. 7.** Intussen en tot de vaststelling van het genoemde reglement zal de vaart op de Maas en haar takken geheel vrij blijven voor de handel van beide landen, welke voorlopig daarvoor zullen aannemen de tarieven der overeenkomst nopens de vrije scheepvaart op de Rijn, de 31ste maart 1831 te Mainz ondertekend, alsmede de andere bepalingen dier overeenkomst, voorzover zij op de genoemde rivier toepasselijk kunnen worden gemaakt.
**Par. 8.** Indien natuurlijke gebeurtenissen of werken van kunst de in dit artikel aangewezen wegen voor de scheepvaart voor het vervolg onbruikbaar mochten maken, zal de Nederlandse Regering aan de Belgische scheepvaart, ter vervanging der genoemde, onbruikbaar geworden wegen voor de scheepvaart, andere wegen die even veilig en even goed en gemakkelijk zijn, aanwijzen.
Artikel IX
Artikel IX
Onderdeel van Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 8 juni 1839