De toelating tot het voorrecht van den kosteloozen rechtsbijstand, verleend op grond van artikel één, heeft van rechtswege ten gevolge de vrijstelling van het geven van elke zekerheidsstelling of voorafgaande storting, die, onder welke benaming ook, krachtens de wetgeving van den Staat alwaar de eisch wordt ingesteld, gevorderd kan worden van de vreemdelingen die een rechtsgeding voeren tegen de onderdanen van dien Staat.
Artikel III
Artikel III
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België strekkende om wederkerig ingezetenen, onderdanen van het andere land, toe te laten om kosteloos te procederen· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 30 januari 1894