De uitgeleverde persoon zal niet mogen worden vervolgd, noch gestraft in het land, waaraan de uitlevering is toegestaan, noch aan een derden Staat mogen worden uitgeleverd, ter zake van een strafbaar feit niet in het tegenwoordig verdrag genoemd en vóór de uitlevering gepleegd, tenzij hij in beide gevallen de vrijheid hebbe gehad om het eerstgenoemde land weder te verlaten gedurende eene maand nadat de tegen hem ingestelde vervolging zal zijn afgeloopen, en hij, in geval van veroordeeling, de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan of hem daarvan gratie zal zijn verleend.
Hij zal evenmin mogen worden vervolgd of gestraft ter zake van eenig strafbaar feit in het tegenwoordig verdrag genoemd en vóór de uitlevering gepleegd, maar waarvoor de uitlevering niet heeft plaats gehad, zonder de toestemming der Regeering die den uitgeleverde heeft overgegeven, en die, indien zij zulks wenschelijk acht, de overlegging zal kunnen vorderen van een der bescheiden, in art. 7 van het tegenwoordig verdrag vermeld. De toestemming dier Regeering zal insgelijks worden vereischt om de uitlevering van den beklaagde aan een derden Staat toe te staan. Intusschen zal die toestemming niet noodig zijn, wanneer de beklaagde uit eigen beweging zal hebben verzocht terecht te staan of zijn straf te ondergaan, of wanneer hij binnen den bovengenoemden termijn het grondgebied van den Staat, waaraan hij is uitgeleverd, niet zal hebben verlaten.
Wat betreft de personen, beschuldigd of veroordeeld wegens feiten, welke volgens de wetgeving van den Staat, die de uitlevering aanvraagt, met den dood gestraft worden, zal de Staat, waaraan de uitlevering gevraagd wordt, de vrijheid hebben deze te weigeren.
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot regeling der wederkerige uitlevering van misdadigers· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 9 augustus 1889