Naar hoofdinhoud
In de landen, waar hare wetgeving haar daartoe machtigt, zullen de Administraties, aan welke het Internationaal Bureau van de inschrijving van een merk zal kennis geven, de bevoegdheid hebben te verklaren, dat de bescherming niet op haar grondgebied aan dat merk kan worden verleend. Eene dergelijke weigering zal alleen geoorloofd zijn op grond van omstandigheden die, krachtens het algemeene verdrag, van kracht zouden zijn ten aanzien van een merk, ter nationale inschrijving ingezonden. De Administraties, die van deze bevoegdheid wenschen gebruik te maken, moeten van haar weigering, onder opgave van de redenen, mededeeling doen aan het Internationaal Bureau binnen den termijn, door de wet van haar land bepaald, en uiterlijk vóór het einde van een jaar, te rekenen van de internationale inschrijving van het merk af. Het Internationaal Bureau zal zonder verwijl aan de Administratie van het land van oorsprong en aan den eigenaar van het merk of aan zijn gemachtigde, indien deze door genoemde Administratie aan het Bureau is opgegeven, een der exemplaren doen toekomen van de aldus te zijner kennis gebrachte verklaring van weigering. De belanghebbende zal dezelfde middelen van verhaal hebben als ware het merk door hem rechtstreeks gedeponeerd in het land, waar de bescherming wordt geweigerd. De Administraties, die binnen den termijn van ten hoogste één jaar als hierboven aangeduid, geenerlei kennisgeving aan het Internationaal Bureau hebben gedaan, zullen geacht worden het merk aanvaard te hebben.

Rechtspraak bij dit artikel