**1.** De verzekerde die ten gevolge van zijn lichamelijk of geestelijk abnormale gezondheidstoestand ongeschikt tot werken is, heeft recht op ziekengeld, tenminste gedurende de eerste zes en twintig weken der ongesteldheid, te rekenen van de eerste dag waarover ziekengeld wordt uitgekeerd.
**2.** Als voorwaarde voor de toekenning van het ziekengeld kan gesteld worden het gedurende een bepaalde tijd verzekerd geweest zijn en de vervulling van een wachttijd van ten hoogste drie dagen.
**3.** Het ziekengeld kan ingehouden worden:
ingeval de verzekerde reeds, ter zake van dezelfde ziekte, uit anderen hoofde een uitkering waarop hij krachtens de wet recht heeft, ontvangt; het ziekengeld wordt geheel of gedeeltelijk ingehouden, al naar gelang laatstbedoelde uitkering gelijkwaardig is of minder bedraagt dan het ziekengeld in dit artikel bedoeld;
zolang de verzekerde ten gevolge van zijn ongeschiktheid tot werken zijn normale loon niet derft of wanneer hij onderhouden wordt op kosten van de verzekering of van openbare fondsen; het ziekengeld zal echter slechts gedeeltelijk ingehouden worden, wanneer de verzekerde die aldus persoonlijk onderhouden wordt, een gezin moet onderhouden;
zolang de verzekerde, zonder deugdelijke grond, weigert, de voorschriften van de geneeskundige op te volgen, alsook de voorschriften met betrekking tot het gedrag van verzekerden ingeval van ziekte, of zich zonder machtiging en vrijwillig onttrekt aan het toezicht van de verzekeringsinstelling.
**4.** Het ziekengeld kan verminderd of geweigerd worden ingeval de ziekte het gevolg is van opzet van de verzekerde.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verdrag betreffende de ziekteverzekering van landarbeiders· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 13 februari 1966