Naar hoofdinhoud

AFDELING I

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Aanvullend Verdrag inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht

Deze tekst geldt sinds 3 december 1957

Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag neemt alle uitvoerbare en noodzakelijke wettelijke en andere maatregelen om in toenemende mate en zo spoedig mogelijk de volledige afschaffing en opheffing van de volgende instellingen en praktijken, waar deze nog bestaan, te bewerkstelligen, onverschillig of zij vallen onder de definitie van slavernij vervat in artikel 1 van het op 25 september 1926 te Genève ondertekende Slavernijverdrag: Pandelingschap, dit wil zeggen de staat of toestand welke ontstaat doordat een schuldenaar zijn eigen diensten of die van een persoon over wie hij zeggenschap heeft, heeft verbonden als zekerheid voor een schuld, indien de op redelijke wijze vastgestelde waarde van die diensten niet wordt gerekend tot delging van de schuld of indien de duur van die diensten niet beperkt noch hun aard nauwkeurig omschreven zijn; Lijfeigenschap, dit wil zeggen de staat of toestand van een pachter die krachtens wet, gewoonte of overeenkomst gehouden is op land dat aan een ander behoort, te wonen en te werken en aan die ander bepaalde diensten te verlenen, al of niet tegen vergoeding, en aan wie het niet vrij staat in die rechtstoestand wijzigingen aan te brengen; Elke instelling of praktijk waarbij: een vrouw, zonder het recht zulks te weigeren, tegen betaling in geld of in goederen door haar ouders, voogd, familie of een andere persoon of groep personen ten huwelijk wordt beloofd of gegeven; of de echtgenoot van een vrouw, zijn familie of zijn „clan” het recht heeft haar onder bezwarende titel of anderszins aan een ander over te dragen; of een vrouw bij de dood van haar echtgenoot door een ander kan worden geërfd. Elke instelling of praktijk waarbij een kind of jeugdige persoon, jonger dan achttien jaar, door zijn beide natuurlijke ouders of een van hen of door zijn voogd aan een ander wordt overgedragen, al of niet tegen beloning, met het doel het kind of de jeugdige persoon zelf dan wel zijn arbeid te exploiteren.

Rechtspraak bij dit artikel