In dit Verdrag:
betekent „slavernij”, zoals omschreven in het Slavernijverdrag van 1926, de staat of toestand van een persoon over wie eigendomsrechten, hetzij in volle omvang, hetzij in beperkte mate, worden uitgeoefend, en betekent „slaaf” de persoon die een dergelijke staat heeft of zich in een dergelijke toestand bevindt;
betekent „een persoon in slaaflijke staat” een persoon die de staat heeft of zich in de toestand bevindt welke voortvloeit uit een der in artikel 1 van dit Verdrag genoemde instellingen of praktijken;
betekent en omvat „slavenhandel” iedere handeling van vermeestering, verwerving of overdracht van een persoon, ten einde hem in slavernij te brengen; iedere handeling van verwerving van een slaaf, ten einde hem te verkopen of te ruilen; iedere handeling van overdracht bij wijze van verkoop of ruil van een persoon verworven ten einde te worden verkocht of geruild; en in het algemeen iedere daad van handel in of vervoer van slaven, ongeacht met welk vervoermiddel.
AFDELING IV
Artikel 7
Artikel 7
Onderdeel van Aanvullend Verdrag inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht
Deze tekst geldt sinds 3 december 1957