De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich alle geschikte maatregelen te nemen, teneinde te voorkomen en tegen te gaan de inscheping, ontscheping en het vervoer van slaven in haar territoriale wateren, evenals in het algemeen op alle schepen, die hare onderscheidene vlaggen voeren.
De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich zoo spoedig mogelijk te onderhandelen over een algemeen verdrag nopens den slavenhandel, dat haar gelijksoortige rechten zal geven en gelijksoortige verplichtingen zal opleggen als die welke neergelegd zijn in het verdrag van 17 Juni 1925 nopens den internationalen handel in wapenen (artikelen 12, 20, 21, 22, 23, 24 en paragraaf 3, 4, 5 van Afdeeling II van Aanhangsel II), onder voorbehoud van de noodige aanpassingen met dien verstande, dat dit algemeene verdrag niet de schepen (zelfs van kleine tonnenmaat) van een der Hooge Verdragsluitende Partijen in een andere positie zal plaatsen dan die van de andere Hooge Verdragsluitende Partijen.
Het is eveneens wel verstaan, dat zoowel vóór als nà de inwerkingtreding van genoemd algemeen verdrag de Hooge Verdragsluitende Partijen volledige vrijheid behouden onder elkander, zonder echter af te wijken van de beginselen, die in het vorige lid zijn neergelegd, zoodanige bijzondere regelingen te treffen als haar op grond van haar bijzondere ligging wenschelijk mocht voorkomen, teneinde zoo spoedig mogelijk te geraken tot het volledig verdwijnen van den slavenhandel.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verdrag inzake de slavernij· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht
Deze tekst geldt sinds 7 januari 1928