Naar hoofdinhoud

Artikel IV

Artikel IV

Onderdeel van Internationale Overeenkomst, bestemd om te allen tijde en aan alle Mogendheden het vrije gebruik van het Kanaal van Suez te verzekeren· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 22 december 1888

Daar het zeekanaal luidens artikel I van het tegenwoordig verdrag in tijd van oorlog voor den vrijen doortocht geopend blijft, zelfs voor de schepen der oorlogvoerenden, komen de Hooge contracteerende Partijen overeen, dat geen oorlogsrecht, geene daad van vijandelijkheid of geene daad welke ten doel zoude hebben de vrije vaart in het kanaal te belemmeren, zal kunnen uitgeoefend worden noch in het kanaal noch in de havens die toegang daartoe verleenen, noch ook binnen een afstand van drie zeemijlen van deze havens, zelfs wanneer het Ottomanische Rijk een der oorlogvoerenden ware. De oorlogsschepen der oorlogvoerenden zullen zich in het kanaal of in de havens aan deszelfs ingang niet van krijgs- of mondbehoeften kunnen voorzien dan voorzoover volstrekt noodig mocht zijn. De doortocht van gezegde schepen door het kanaal zal geschieden binnen de kortst mogelijke tijdruimte, volgens de van kracht zijnde reglementen en zonder ander oponthoud dan voort mocht spruiten uit de noodzakelijkheden van den dienst. Hun verblijf te Port Saïd en op de reede van Suez zal geen vier en twintig uren kunnen overschrijden, uitgezonderd in geval van gedwongen oponthoud. In zoodanig geval zullen zij gehouden zijn, zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Er zal altijd eene tusschenruimte van vier en twintig uur moeten verloopen tusschen het vertrek van een oorlogvoerend schip uit eene haven die toegang tot het kanaal verleent, en het vertrek van een schip behorende aan de vijandige Mogendheid.

Rechtspraak bij dit artikel