Na eene aanvaring is de kapitein van ieder der in aanvaring geweest zijnde schepen gehouden om, voor zooverre hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor zijn schip, zijne bemanning en zijne passagiers, hulp te verleenen aan het andere schip en deszelfs bemanning en passagiers.
Hij is, evenzeer binnen de grenzen van het mogelijke, gehouden om aan het andere schip op te geven den naam van zijn eigen schip en de haven waar het thuis behoort, alsmede de plaatsen vanwaar het komt en waarheen het gaat.
De reeder is ter zake van de enkele overtreding der voorgaande bepalingen niet verantwoordelijk.
Artikel 8
Artikel 8
Onderdeel van Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende aanvaring· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 1 maart 1913