**(1).** De auteurs tot een der landen van het Verbond behoorende, genieten in de landen, die niet het land van herkomst van het werk zijn, voor hun werken, hetzij niet openbaar gemaakt, hetzij voor het eerst openbaar gemaakt in een der landen van het Verbond, de rechten, welke de onderscheiden wetten thans aan eigen onderdanen verleenen of in den vervolge verleenen zullen, alsmede de rechten bijzonderlijk door dit Verdrag verleend.
**(2).** Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen; dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan der bescherming in het land van herkomst van het werk. Bijgevolg worden, buiten de bepalingen van dit Verdrag, de omvang van de bescherming, zoowel als de rechtsmiddelen, den auteur gewaarborgd ter handhaving van zijne rechten, uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen.
**(3).** Als land van herkomst van het werk wordt beschouwd: voor niet openbaar gemaakte werken, dat waartoe de auteur behoort; voor openbaar gemaakte werken dat waar het voor het eerst openbaar is gemaakt; en voor werken die gelijktijdig in verscheidene landen van het Verbond openbaar zijn gemaakt, dat waarvan de wetgeving den kortsten tijd van bescherming verleent. Voor werken die gelijktijdig verschenen zijn in een land dat buiten het Verbond staat, en in een land dat tot het Verbond behoort, geldt het laatste land uitsluitend als land van herkomst.
**(4).** Onder „openbaar gemaakte werken” moeten in den zin van dit Verdrag verstaan worden werken die zijn uitgegeven. De opvoering van een tooneel- of een dramatisch-muzikaal werk, de uitvoering van een muziekwerk, de tentoonstelling van een kunstwerk en de bouw van een bouwkundig werk vormen niet openbaarmaking.
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Berner Conventie tot bescherming van letterkundige en kunstwerken van 9 september 1886, herzien te Berlijn op 13 november 1908 en te Rome op 2 juni 1928· Intellectuele eigendom
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 1931