Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, onder b), van de Overeenkomst komen de Partijen de volgende voorwaarden voor begeleide overdracht of doorgeleiding op hun grondgebied overeen:
De begeleiders worden door de verzoekende Partij aangewezen en zijn belast met de begeleiding van de terug- of over te nemen of door te geleiden persoon.
De begeleiders voeren hun taak ongewapend en in burgerkledij uit. De begeleiders dragen documenten bij zich waaruit blijkt dat de terug- of overname of doorgeleiding is goedgekeurd door de aangezochte Partij, alsmede hun officiële identiteitsdocumenten.
De autoriteiten van de aangezochte Partij verlenen de begeleiders bij de uitoefening van hun taken in het kader van de Overeenkomst dezelfde bescherming en bijstand als aan de eigen ter zake bevoegde ambtenaren.
Op het grondgebied van de aangezochte Partij dienen de begeleiders het recht van de aangezochte Partij na te leven. Tijdens de doorgeleiding zijn de bevoegdheden van de begeleiders beperkt tot zelfverdediging. Indien de aangezochte Partij geen adequate ondersteuning kan bieden dan wel bij het bijstaan van ondersteunend personeel in situaties met onmiddellijk gevaar zijn de begeleiders bevoegd op redelijke en proportionele wijze te reageren om te voorkomen dat de terug- of over te nemen of door te geleiden persoon vlucht, zichzelf of derden letsel toebrengt dan wel schade aan goederen veroorzaakt.
De begeleiders dienen de reisdocumenten en alle andere documenten of gegevens met betrekking tot de terug- of over te nemen of door te geleiden persoon bij zich te hebben en dienen die documenten te overhandigen aan de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit van het land van bestemming.
De begeleiders zijn verantwoordelijk voor de terug- of over te nemen persoon tot de toelating heeft plaatsgevonden. Tijdens doorgeleiding zijn de begeleiders verantwoordelijk tot de betrokkene tot het land van bestemming is toegelaten.
Artikel 6
Gebruik van begeleiders bij terug- of overname of doorgeleiding
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2021