De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, in geval haar wetgevingen niet reeds daartoe strekken, haar wetten zoodanig te wijzigen, dat de geldigheid der ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes aangegane verbintenissen en de uitoefening der daaruit voortvloeiende rechten niet afhankelijk zal worden gesteld van de inachtneming der bepalingen nopens het zegel.
Zij kunnen echter de uitoefening van die rechten schorsen, totdat de verschuldigde zegelrechten alsmede de verbeurde boeten zullen zijn betaald. Eveneens kunnen zij bepalen, dat de hoedanigheid en de kracht van onmiddellijk-uitvoerbaren-titel, welke overeenkomstig haar wetgevingen aan den wisselbrief of het orderbriefje mochten zijn toegekend, afhankelijk zullen zijn van de voorwaarde, dat het zegelrecht, overeenkomstig de bepalingen harer wetten, aanstonds bij de uitgifte van het stuk behoorlijk gekweten is.
Ieder der Hooge Verdragsluitende Partijen behoudt zich de bevoegdheid voor om de verplichting bij het eerste lid vermeld tot de wisselbrieven te beperken.
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Verdrag betreffende het zegelrecht ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 1934