Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › DEEL IV

Artikel 5

Bewijs van oorsprong en administratieve samenwerking

Onderdeel van Protocol bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 februari 2017

1. Onverminderd de toepassing van maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek worden bewijzen van oorsprong die door Albanië of Kroatië naar behoren zijn afgegeven of opgesteld in het kader van een tussen die landen onderling toegepaste preferentiële overeenkomst, in de respectieve landen aanvaard, mits: de verkrijging van de oorsprong met zich meebrengt dat een preferentieel tarief wordt gehanteerd overeenkomstig de in de SAO opgenomen preferentiële tariefmaatregelen; het bewijs van oorsprong en de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag voor de toetreding zijn afgegeven of opgesteld; het bewijs van oorsprong binnen vier maanden na de datum van toetreding wordt ingediend. Indien goederen vóór de datum van toetreding in Albanië of Kroatië ten invoer zijn aangegeven, kunnen op grond van een preferentiële overeenkomst afgegeven of opgestelde bewijzen van oorsprong eveneens worden aanvaard, mits die bewijzen binnen vier maanden na de datum van toetreding aan de douaneautoriteiten worden overgelegd. 2. Albanië en Kroatië mogen vergunningen waarmee de status van „toegelaten exporteur” is verleend in het kader van een preferentiële overeenkomst die zij onderling toepassen, blijven gebruiken, mits: een dergelijke bepaling ook is opgenomen in de tussen Albanië en de Europese Unie vóór de toetreding van Kroatië gesloten SAO; en de toegelaten exporteurs de op grond van die overeenkomst geldende oorsprongsregels toepassen. Deze vergunningen worden uiterlijk één jaar na de datum van de toetreding van Kroatië vervangen door nieuwe vergunningen die onder de voorwaarden van de SAO zijn afgegeven. 3. Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven op grond van de in lid 1 bedoelde preferentiële overeenkomst worden gedurende drie jaar na de afgifte van het betrokken bewijs van oorsprong aanvaard door de bevoegde douaneautoriteiten van Albanië of Kroatië, en kunnen door die autoriteiten nog worden ingediend gedurende drie jaar na aanvaarding van een bewijs van oorsprong dat aan die autoriteiten ter staving van een aangifte ten invoer is voorgelegd.

Rechtspraak bij dit artikel