Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR)· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 29 januari 1968

1. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt het recht, het invoeren op zijn grondgebied van gevaarlijke goederen aan regelingen te onderwerpen of te verbieden om andere redenen dan de veiligheid gedurende het vervoer. 2. Voertuigen welke op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst of binnen twee maanden na die inwerkingtreding in dienst zijn gesteld, mogen gedurende drie jaren na die inwerkingtreding nog internationaal vervoer van gevaarlijke goederen verrichten, zelfs indien hun bouw en uitrusting niet geheel voldoen aan de voorwaarden welke in Bijlage B ten aanzien van het vervoer in kwestie zijn gesteld. Bijzondere bepalingen in Bijlage B kunnen deze termijn echter verkorten. 3. De Overeenkomstsluitende Partijen behouden het recht, door middel van bijzondere twee- of meerzijdige akkoorden overeen te komen dat bepaalde gevaarlijke goederen waarvan deze Overeenkomst alle internationaal vervoer verbiedt onder bepaalde voorwaarden voor internationaal vervoer op hun grondgebied kunnen worden aangenomen of dat gevaarlijke goederen waarvan deze Overeenkomst internationaal vervoer slechts onder bepaalde voorwaarden toelaat voor internationaal vervoer op hun grondgebied kunnen worden aangenomen onder minder strenge voorwaarden dan die welke door de Bijlagen bij deze Overeenkomst worden gesteld. De in dit lid bedoelde twee- of meerzijdige akkoorden dienen te worden medegedeeld aan de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties. Deze zal van die akkoorden mededeling doen aan de Overeenkomstsluitende Partijen die deze akkoorden niet hebben ondertekend.

Rechtspraak bij dit artikel