De consuls-generaal, consuls, vice-consuls en consulaire agenten kunnen, voor zoover de uitlevering van deserteurs van Ottomanische koopvaardij- of oorlogsschepen bij tractaat is bedongen, de hulp der plaatselijke overheid inroepen tot het aanhouden, gevangen nemen en in verzekerde bewaring houden van deserteurs dier schepen; zij wenden zich te dien einde tot de bevoegde ambtenaren en eischen de gezegde deserteurs schriftelijk op, mits uit de scheepsregisters, monsterrollen of ieder ander authentiek stuk bewijzende, dat de opgeëischte personen behoord hebben tot de manschap.
Wanneer de opeisching op deze wijze is gestaafd, wordt de uitlevering toegestaan. De plaatselijke overheid is gehouden gebruik te maken van al de middelen in hare magt, ten einde de uitlevering der deserteurs geschiede.
Na hunne aanhouding worden deze deserteurs gesteld ter beschikking van de gezegde consulaire ambtenaren en kunnen, op aanvrage en op kosten van degenen die hen opeischen, worden opgesloten in de openbare gevangenissen, ten einde te worden gezonden naar de schepen waartoe zij behooren, of naar andere schepen van dezelfde natie. Indien zij echter binnen drie maanden na den dag hunner aanhouding niet teruggezonden zijn, worden zij in vrijheid gesteld en kunnen zij om dezelfde reden niet wederom in hechtenis worden genomen.
Het staat echter vast dat, indien de deserteur bevonden werd eenige misdaad, wanbedrijf of overtreding te hebben gepleegd, zijne uitlevering kan worden uitgesteld tot dat de betrokken regtbank uitspraak hebbe gedaan en deze ten uitvoer gelegd zij.
Artikel 10
Artikel 10
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Ottomaanse Rijk inzake de toelating van Turkse Consuls in de voornaamste havens der Nederlandse koloniën· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 7 augustus 1857