Naar hoofdinhoud
1. De personen die deel uitmaken van de bij de coproductie betrokken filmploeg dienen tot de volgende categorieën te behoren: Wat de Bondsrepubliek Duitsland betreft: Duitsers in de zin van de Grondwet, personen die deel uitmaken van de Duitse cultuur en hun vaste woonplaats in de Bondsrepubliek Duitsland hebben, onderdanen van een andere lidstaat van de Europese Unie of, onderdanen van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna als EER-overeenkomst aangeduid). Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, personen die hun vaste woonplaats hebben, in dat deel van het Koninkrijk der Nederlanden als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, onderdanen van een andere lidstaat van de Europese Unie of, onderdanen van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst. 2. De verdragsluitende partijen komen overeen dat overeenkomstig de voorwaarden van dit Verdrag tot stand gekomen coproducties waarbij onderdanen van staten betrokken zijn waarmee een van de verdragsluitende partijen een verdrag heeft gesloten inzake de coproductie van films erkend kunnen worden. De bijdrage van een staat aan een dergelijke coproductie mag niet minder dan 10 (tien) en niet meer dan 70 (zeventig) percent bedragen van de totale kosten per coproductie. 3. Studio- en buitenopnames worden gedraaid in de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk der Nederlanden of in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een verdragsluitende partij bij de EER-Overeenkomst. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen kunnen uit artistieke overwegingen ook buitenopnamen elders toestaan, indien het script of de oorspronkelijke locatie van de film daartoe noodzaakt. 4. Van elke coproductiefilm worden twee versies vervaardigd: een Duitse en een Nederlandse. De dialogen kunnen ook andere talen bevatten, indien het script dit vereist.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel