Naar hoofdinhoud
1. De directeur geniet immuniteit van de rechtsmacht van de ontvangststaat wat betreft handelingen in de uitoefening van zijn taken. 2. De in het eerste lid bedoelde immuniteit wordt verleend in het belang van de juiste uitvoering van dit Verdrag en niet voor het persoonlijk nut van de directeur. De zendstaat heeft de plicht de immuniteit van de directeur op te heffen in elk geval waarin deze immuniteit de loop van het recht in de weg staat en het mogelijk is van deze immuniteit afstand te doen zonder het doel waarvoor deze is verleend in gevaar te brengen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing in het geval van verkeersovertredingen of in het geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat de zendstaat of de directeur toebehoort en door de directeur wordt bestuurd.

Rechtspraak bij dit artikel