Naar hoofdinhoud
1. De Partijen staan de doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat over hun grondgebied toe indien een andere Partij daarom verzoekt, mits de verdere reis in eventuele andere Staten van doorreis en de overname door de Staat van bestemming vaststaan. 2. De Partijen doen het nodige om doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat te beperken tot gevallen waarin die personen niet rechtstreeks aan de Staat van bestemming kunnen worden overgedragen. 3. Doorgeleiding kan door de Partijen worden geweigerd: indien de onderdaan van een derde Staat in de Staat van bestemming of een andere Staat van doorreis een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, de doodstraf of te worden vervolgd op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging; indien de onderdaan van een derde Staat op het grondgebied van de aangezochte Partij of de Staat van doorreis strafrechtelijk zal worden vervolgd of de tenuitvoerlegging van een strafvonnis zal ondergaan; om redenen van volksgezondheid, binnenlandse veiligheid of openbare orde van de aangezochte Partij. 4. De aangezochte Partij kan elke verleende toestemming intrekken indien zich later omstandigheden als bedoeld in het derde lid van dit artikel voordoen of aan het licht komen die de uitvoering van de doorgeleiding belemmeren of indien de verdere reis in eventuele Staten van doorreis of de overname niet meer mogelijk is. In dat geval neemt de verzoekende Partij de onderdaan van een derde Staat of de staatloze persoon onverwijld terug.

Rechtspraak bij dit artikel