**1.** Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
wordt verstaan onder de uitdrukkingen „een verdragsluitende staat” en „de andere verdragsluitende staat” het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) of het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Verenigd Koninkrijk), naargelang de context vereist;
wordt verstaan onder de uitdrukking „Nederland” het Europese deel van Nederland, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsbevoegdheid heeft of soevereine rechten uitoefent;
wordt verstaan onder de uitdrukking „Verenigd Koninkrijk” Groot-Brittannië en Noord-Ierland, met inbegrip van elk gebied buiten de territoriale zee van het Verenigd Koninkrijk dat is aangewezen uit hoofde van zijn wetgeving inzake het Continentaal Plat en in overeenstemming met het internationale recht als een gebied waar de rechten van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond en hun natuurlijke rijkdommen mogen worden uitgeoefend;
wordt verstaan onder de term „entiteit”:
wat Nederland betreft, een lichaam zoals genoemd in de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet bankenbelasting;
wat het Verenigd Koninkrijk betreft, een entiteit zoals omschreven in Schema 19, punt 70, van de „Finance Act 2011”, die deel uitmaakt van een „relevante groep” overeenkomstig punt 4, of een „relevante entiteit” is overeenkomstig Schema 19, punt 5, van de „Finance Act 2011”;
wordt verstaan onder de uitdrukking „vaste inrichting”:
wat Nederland betreft, een bijkantoor in de zin van de Wet bankenbelasting door middel waarvan de bedrijfsuitoefening van een entiteit van een verdragsluitende staat geheel of gedeeltelijk wordt uitgevoerd en ten behoeve waarvan een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank is verleend;
wat het Verenigd Koninkrijk betreft, een vaste inrichting in overeenstemming met hoofdstuk 2, deel 24, van de „Corporation Tax Act 2010”, door middel waarvan de bedrijfsuitoefening van een entiteit van een verdragsluitende staat geheel of gedeeltelijk wordt uitgevoerd;
wordt verstaan onder de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
wat Nederland betreft, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
wat het Verenigd Koninkrijk betreft, de „Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs” of hun bevoegde vertegenwoordiger.
**2.** Voor de toepassing van het Verdrag door een verdragsluitende staat op enig moment heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking op dat moment heeft volgens de wetgeving van die verdragsluitende staat met betrekking tot de bankenbelastingen waarop het Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke wetgeving inzake bankenbelasting van die staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die staat aan die uitdrukking wordt gegeven.
Artikel 3
Algemene begripsbepalingen
Deze tekst geldt sinds 30 april 2015