Naar hoofdinhoud
1. Indien een entiteit van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten voor haar leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, kan zij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die staten voorziet, haar geval voorleggen aan een van de bevoegde autoriteiten. De kwestie moet worden voorgelegd binnen drie jaar nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag, of indien later, binnen zes jaar na afloop van het jaar of heffingstijdvak ter zake waarvan die belasting is opgelegd of voorlopig is opgelegd, voor het eerst te harer kennis is gebracht. 2. De bevoegde autoriteit waaraan de kwestie is voorgelegd tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de kwestie in onderling overleg met de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat op te lossen teneinde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met het Verdrag te vermijden. Een bereikte overeenstemming wordt uitgevoerd niettegenstaande eventuele termijnen in het nationale recht van de verdragsluitende staten, met uitzondering van eventuele beperkingen die gelden voor de uitvoering van die overeenstemming. 3. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten trachten de dubbele heffing van bankenbelasting in gevallen die niet voorzien zijn in het Verdrag alsmede eventuele moeilijkheden of twijfelpunten die rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van het Verdrag in onderling overleg op te lossen. 4. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen teneinde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken. 5. Indien uit hoofde van het eerste of derde lid van dit artikel een kwestie is voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat omdat de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten ertoe hebben geleid dat de belastingheffing voor die entiteit niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag of dat er dubbele bankenbelasting is geheven in gevallen niet voorzien in dit Verdrag, en de bevoegde autoriteiten er binnen twee jaar nadat de kwestie is voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat niet in slagen deze kwestie op te lossen overeenkomstig het tweede of derde lid, worden onopgeloste kwesties die voortvloeien uit de zaak indien de rechtstreeks betrokken entiteit zulks verzoekt voorgelegd voor arbitrage. De arbitrale uitspraak is bindend voor beide verdragsluitende staten en wordt ten uitvoer gelegd ongeacht eventuele termijnen in het nationale recht van de staten, tenzij de rechtstreeks betrokken entiteit de gezamenlijke regeling voor de tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak niet aanvaardt. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten regelen in onderling overleg de wijze van toepassing van dit lid.

Rechtspraak bij dit artikel