**1.** De Bank geniet immuniteit van elke vorm van rechtsvervolging met uitzondering van zaken die voortvloeien uit de uitoefening van haar bevoegdheid tot het verwerven van fondsen, door leningen of op andere wijze ter waarborging van verplichtingen, of voor het kopen, verkopen of garanderen van de verkoop van waardepapieren, in welk geval rechtsgedingen tegen de Bank uitsluitend kunnen worden ingesteld bij een bevoegde rechter op het grondgebied van een land waar de Bank een kantoor heeft, of een vertegenwoordiger heeft aangewezen voor de betekening van dagvaardingen, of waardepapieren heeft uitgegeven of gegarandeerd heeft.
**2.** Onverminderd het eerste lid van dit artikel mag er evenwel geen vordering tegen de Bank worden ingesteld door een lid of een agentschap of instantie van een lid, of door een entiteit of een persoon die direct of indirect optreedt namens of een vordering ontleent aan een lid of een agentschap of instantie van een lid. Ter regeling van geschillen tussen de Bank en haar leden dienen deze laatste gebruik te maken van daartoe in dit Verdrag, in de verordeningen en voorschriften van de Bank of in met de Bank gesloten overeenkomsten opgenomen bijzondere procedures.
**3.** De bezittingen en activa van de Bank, ongeacht waar deze zich bevinden en wie deze in bezit heeft, worden gevrijwaard van elke vorm van inbeslagname, beslaglegging of executie voordat een definitief vonnis tegen de Bank is uitgesproken.
HOOFDSTUK IX
Artikel 46
Immuniteit van gerechtelijke procedures
Onderdeel van Verdrag betreffende de Aziatische Infrastructuurinvesteringsbank· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 25 december 2015