Er zal wederkeerige vrijheid zijn van handel en scheepvaart tusschen de onderdanen der beide Hooge contracterende partijen, en de onderdanen der beide Souvereinen over en weder zullen in de havens, ankerplaatsen, reeden, steden, vlekken en oorden hoe ook genaamd in beide Rijken, geene andere of hoogere regten, ongelden of lasten, onder welke benamingen ook aangeduid of begrepen, betalen, dan die, welke daar betaald worden door de onderdanen der meest begunstigde natie, en de onderdanen van elke der beide Hooge contracterende partijen zullen dezelfde regten, voorregten, vrijheden, gunsten, vrijstellingen en vrijdommen op het stuk van handel en scheepvaart genieten, welke in elk Koningrijk aan de onderdanen der meest begunstigde natie toegestaan zijn, of later toegestaan mogten worden.
Geen douanen-regt of ander bezwaar zal gelegd worden op eenige goederen, die de voortbrengselen zijn van een der Rijken bij den invoer ter zee of te land uit dat Rijk in het ander, hooger dan het regt of bezwaar dat op soortgelijke goederen gelegd is, wanneer dezelve het voortbrengsel zijn van of ingevoerd worden uit eenig ander land, en Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden en Hare Majesteit de Koningin van het Vereenigd Koningrijk van Groot-Brittannie en Ierland verbinden en verpligten zich mits dezen, geene gunst of voorregt, of vrijstelling in zaken van handel en scheepvaart aan de onderdanen van eenigen anderen Staat te zullen verleenen, die niet insgelijks en ter zelfder tijd zal worden uitgestrekt tot de onderdanen van de andere Hooge contracterende partij, om niet, indien de gunst ten behoeve van dien anderen Staat om niet is gegeven geworden, en tegen eene vergelding of equivalent zoo nabij mogelijk, zoo die gunst voorwaardelijk is toegestaan.
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Tractaat van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 27 oktober 1837