Even als alle koopwaren van welken oorsprong ook, om het even of de invoer voor binnenlandsch verbruik geoorloofd is of niet, in al de havens van het Vereenigd Koningrijk van Groot-Britannie en Ierland, welke hij de wet zijn verklaard te zijn nederlagen voor zulke artikelen, mogen worden toegelaten en opgeslagen, hangende aangifte derzelve het zij voor binnenlandsch verbruik of voor weder uitvoer, naar gelang van het geval, met in achtneming der daartoe betrekkelijke bepalingen, en zonder dat zoodanige artikelen middelerwijl onderhevig zijn aan de betaling van eenige der regten, waarmede dezelve belast zouden worden, in geval dezelve bij aankomst aangegeven waren tot verbruik in het Vereenigd Koningrijk; op dezelfde wijze vergunt en bewilligt de Koning der Nederlanden, dat alle havens van de Staten Zijner Nederlandsche Majesteit, welke nu of welke hierna hij de wet tot nederlagen zijn of mogten worden verklaard, vrijhavens zijn zullen voor de ontvangst en den opslag van alle koopwaren met Britsche schepen ingevoerd en van alle artikelen hoegenaamd, voortbrengselen of fabrijkwaren der Britsche Staten, met welke schepen ook ingevoerd, het zij voor inlandsch verbruik of voor weder uitvoer, naar gelang van het geval, en de aldus ontvangene en opgeslagen artikelen, behoudens onderwerping aan behoorlijke bepalingen, zullen middelerwijl niet onderhevig zijn aan eenige der regten, waarmede dezelve belast zouden worden, indien dezelve bij derzelver aankomst in de Nederlanden tot verbruik waren aangegeven.
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Tractaat van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 27 oktober 1837