Naar hoofdinhoud
Indien eenige wetsbepaling in het vervolg door de wetgeving van een der beide landen mogt worden daargesteld, waardoor een of meerdere der voorregten, met betrekking tot handel en scheepvaart, welke respectivelijk bij de Nederlandsche wet van 8 Augustus 1850 en bij de Britsche acte van parlement van 12 en 13 Victoria, Cap. 29 worden toegestaan, mogten worden ingetrokken, alsdan en in zoodanig geval, zal het elke der hooge contracteerende partijen vrijstaan om de tegenwoordige overeenkomst te doen ophouden, mits aan de andere zes weken te voren, van derzelver verlangen dienaangaande kennis te geven.

Rechtspraak bij dit artikel