Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Doelstellingen en algemene beginselen

Onderdeel van Verdrag inzake de bescherming van het cultureel erfgoed onder water· Cultureel recht

1. Met dit Verdrag wordt beoogd de bescherming van cultureel erfgoed onder water te waarborgen en te versterken. 2. Staten die partij zijn werken samen bij de bescherming van cultureel erfgoed onder water. 3. Staten die partij zijn zorgen voor het behoud van cultureel erfgoed onder water ten behoeve van de mensheid, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag. 4. Staten die partij zijn nemen individueel of, in voorkomend geval, gezamenlijk, alle passende maatregelen in overeenstemming met dit Verdrag en met het internationaal recht die nodig zijn om cultureel erfgoed onder water te beschermen en maken daartoe gebruik van de best bruikbare middelen die zij tot hun beschikking hebben en in overeenstemming met hun vermogen. 5. Het behoud in situ van cultureel erfgoed onder water wordt als voorkeursoptie beschouwd, alvorens activiteiten gericht op dit erfgoed worden toegestaan of verricht. 6. Geborgen cultureel erfgoed onder water wordt opgeslagen, bewaard en beheerd op een wijze die het langdurige behoud ervan waarborgt. 7. Cultureel erfgoed onder water wordt niet commercieel geëxploiteerd. 8. Overeenkomstig de praktijk van de staten en het internationaal recht, met inbegrip van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, mag niets in dit Verdrag zo worden uitgelegd dat de regels van het internationaal recht en de praktijk van de staten met betrekking tot soevereine immuniteiten of de rechten van enige staat met betrekking tot zijn vaartuigen en luchtvaartuigen wijzigen. 9. Staten die partij zijn dragen er zorg voor dat alle menselijke resten die zich in de maritieme wateren bevinden met respect worden behandeld. 10. Verantwoorde, niet-verstorende toegang van het publiek tot in situ cultureel erfgoed onder water om te observeren of te documenteren wordt aangemoedigd om het publieke bewustzijn van, de waardering voor en bescherming van dit erfgoed te bevorderen, tenzij dergelijke toegang onverenigbaar is met de bescherming en het beheer ervan. 11. Geen enkele uit hoofde van dit Verdrag verrichte handeling of activiteit vormt een grond voor het maken, verdedigen of betwisten van enige aanspraak op nationale soevereiniteit of rechtsmacht.

Rechtspraak bij dit artikel