Naar hoofdinhoud

Artikel 31

Wijzigingen

Onderdeel van Verdrag inzake de bescherming van het cultureel erfgoed onder water· Cultureel recht

1. Een staat die partij is kan door middel van een schriftelijke mededeling gericht aan de Directeur-Generaal voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag. De Directeur-Generaal verzendt deze mededeling aan alle staten die partij zijn. Indien, binnen zes maanden na de datum van verzending van de mededeling, ten minste de helft van de staten die partij zijn instemt met het verzoek, legt de Directeur-Generaal een dergelijk voorstel voor aan de volgende vergadering van de staten die partij zijn ter bespreking en eventuele aanneming ervan. 2. Wijzigingen worden aangenomen door een tweederdemeerderheid van staten die partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen. 3. Zodra wijzigingen van dit Verdrag zijn aangenomen dienen deze door staten die partij zijn te worden bekrachtigd, aanvaard, goedgekeurd of dienen zij hiertoe toe te treden. 4. Voor staten die partij zijn die deze wijzigingen hebben bekrachtigd, aanvaard, goedgekeurd of die ertoe zijn toegetreden, treden zij in werking drie maanden na de nederlegging van de in het derde lid van dit artikel bedoelde akten door twee derde van de staten die partij zijn. Vervolgens treedt de genoemde wijziging voor elke staat die of elk gebied dat partij is dat deze bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt in werking drie maanden na de datum van de nederlegging door die partij van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding. 5. Een staat die of gebied dat partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van wijzigingen overeenkomstig het vierde lid van dit artikel wordt geacht, tenzij blijk wordt gegeven van een andere bedoeling: partij te zijn bij het aldus gewijzigde Verdrag; en partij te zijn bij het ongewijzigde Verdrag ten aanzien van elke staat die partij is die niet gebonden is door de wijziging.

Rechtspraak bij dit artikel