Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK ACHT › AFDELING F

Artikel 8.32

Kennelijk oneigenlijke verzoeken

Onderdeel van Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds· Financieel en economisch recht

1. De verweerder kan, uiterlijk dertig dagen na de samenstelling van de formatie van het Gerecht en in elk geval vóór de eerste zitting daarvan, de exceptie opwerpen dat een verzoek kennelijk oneigenlijk is. 2. Een exceptie in de zin van lid 1 kan niet worden opgeworpen wanneer de verweerder een exceptie overeenkomstig artikel 8.33 heeft opgeworpen. 3. De verweerder geeft de gronden voor de exceptie zo nauwkeurig mogelijk aan. 4. Na ontvangst van een exceptie overeenkomstig dit artikel schorst het Gerecht de procedure ten gronde en stelt het een tijdschema voor het onderzoek van die exceptie op dat is afgestemd op het tijdschema dat het voor het onderzoek van eventuele andere preliminaire kwesties heeft opgesteld. 5. Nadat het Gerecht de partijen bij het geschil in de gelegenheid heeft gesteld om hun opmerkingen te maken, neemt het op zijn eerste zitting of onverwijld daarna een besluit over of doet het uitspraak op de exceptie, met opgave van de redenen. Daarbij worden de vermeende feiten geacht juist te zijn. 6. Dit artikel laat de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken, alsook het recht van de verweerder om tijdens de procedure aan te voeren dat een verzoek oneigenlijk is, onverlet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel