Elke der beide contracteerende Partijen verbindt zich onderdanen of vroegere onderdanen van een derden Staat, die zich binnen het gebied van de andere Partij ophouden en van daar uitgezet moeten worden, op daartoe strekkende, langs diplomatieken weg gedane aanvrage van deze Partij, door haar gebied naar hun vaderland te vervoeren, wanneer de aanvrage tevens de verklaring behelst, dat de andere Partij tot vergoeding der door het vervoer veroorzaakte onkosten, en de derde Staat tot overneming van den uit te leiden persoon bereid is.
Door de bepalingen van het eerste lid wordt geene inbreuk gemaakt op het omtrent doorvoer bepaalde in het uitleveringsverdrag tusschen Nederland en het Duitsche Rijk van 31 December 1896.
Wordt vanaf 30 april 2006 niet langer toegepast in de verhouding
tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en Duitsland,
anderzijds (Trb. 2017/126).
Artikel 13
Artikel 13
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Duitsland betreffende de toelating, vestiging en uitzetting van wederzijdse onderdanen op wederzijds staatsgebied· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 29 januari 1907