De onderdanen van elke der beide contracteerende Partijen, die zich binnen het gebied der andere Partij hebben gevestigd, of aldaar verblijven, en krachtens de artikelen 2 en 3 worden uitgezet, zullen met hun gezin, op verlangen der Partij die hen wil uitzetten, ten allen tijden weder in hun vaderland worden overgenomen.
Hetzelfde geldt voor vroegere onderdanen van elke der beide Partijen, zoolang zij niet de nationaliteit van de andere Partij of van een derden Staat verworven hebben.
In de gevallen, voorzien bij het 1ste en het 2de lid van dit artikel, beslist de Partij, die uitzetten wil, of de in artikel 2 en de in het 1ste lid van artikel 3 voor de uitzetting gestelde voorwaarden aanwezig zijn; daarentegen beslist de Partij, die zal overnemen, of de in het 2de lid van artikel 3 bedoelde militaire verplichtingen niet zijn vervuld.
Wordt vanaf 30 april 2006 niet langer toegepast in de verhouding
tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en Duitsland,
anderzijds (Trb. 2017/126).
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Duitsland betreffende de toelating, vestiging en uitzetting van wederzijdse onderdanen op wederzijds staatsgebied· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 29 januari 1907