Naar hoofdinhoud

TITEL VI › HOOFDSTUK 5 › AFDELING E › ONDERAFDELING V

Artikel 170

Toepassingsgebied en definities

Onderdeel van Brede en versterkte Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2021

1. Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor de verstrekking van elektronische-communicatienetwerken en -diensten die ingevolge de afdelingen B, C en D zijn geliberaliseerd. 2. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden de volgende definities: „elektronische-communicatienetwerk”: de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, met inbegrip van netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen; „elektronische-communicatiedienst”: alle diensten die volledig of voornamelijk bestaan uit de verzending van signalen via elektronische-communicatienetwerken, met inbegrip van telecommunicatiediensten en transmissiediensten met behulp van netwerken die voor de omroep worden gebruikt; deze diensten hebben geen betrekking op diensten die met behulp van elektronische-communicatienetwerken en elektronische-communicatiediensten doorgezonden inhoud aanbieden of hierover redactionele controle hebben; „openbare elektronische-communicatiedienst”: elke elektronische-communicatiedienst ten aanzien waarvan een partij, uitdrukkelijk of feitelijk, eist dat deze aan het algemene publiek wordt aangeboden; „openbaar elektronische-communicatienetwerk”: een elektronische-communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronische-communicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten; „openbare telecommunicatiedienst”: elke telecommunicatie-vervoersdienst ten aanzien waarvan een partij, uitdrukkelijk of feitelijk, eist dat deze aan het algemene publiek wordt aangeboden, zoals telegraaf, telefoon, telex en gegevensoverdracht waarbij transmissie geschiedt van in werkelijke tijd door de klant tussen twee of meer punten verzonden informatie zonder dat de vorm of inhoud van die informatie van eindpunt tot eindpunt wordt gewijzigd; „regelgevende autoriteit in de elektronische-communicatiesector”: de instantie of instanties die door een partij belast is/zijn met de regelgeving inzake de in deze onderafdeling bedoelde elektronische communicatie; „essentiële faciliteiten”: faciliteiten in het kader van een openbaar elektronische-communicatienetwerk en -dienst die: uitsluitend of voornamelijk ter beschikking worden gesteld door één of een beperkt aantal dienstverleners; alsmede bij het verlenen van een dienst niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen; „bijbehorende faciliteiten”: de bij een elektronische-communicatienetwerk en/of een elektronische-communicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of die dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten, en die onder meer gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten; „grote aanbieder”22) De partijen komen overeen dat een „grote aanbieder” een dienstverlener is met een aanzienlijke marktmacht.: in de elektronische-telecommunicatiesector, een aanbieder die de voorwaarden voor deelname (wat prijs en aanbod betreft) in de desbetreffende markt voor elektronische-communicatiediensten door zijn controle over essentiële faciliteiten of door zijn marktpositie te gebruiken, in belangrijke mate kan beïnvloeden; „toegang”: het beschikbaar stellen van faciliteiten of diensten aan een andere dienstverlener, onder vastgestelde voorwaarden, met het doel elektronische-communicatiediensten te verlenen, en onder meer de toegang omvat tot: netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit houdt met name toegang in tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); materiële infrastructuur waaronder gebouwen, goten en masten; relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen, informatiesystemen of databanken voor reservering, levering, bestelling, onderhouds- en herstelverzoeken en facturering; nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken, met name voor roaming; alsmede toegang tot virtuele netwerkdiensten; „interconnectie”: de fysieke en logische koppeling van openbare elektronische-communicatienetwerken die door dezelfde of een andere dienstverlener worden benut om gebruikers van een dienstverlener in staat te stellen te communiceren met gebruikers van dezelfde of van een andere dienstverlener, of toegang te hebben tot diensten van een andere dienstverlener, diensten die kunnen worden verstrekt door de betrokken partijen of door andere partijen die toegang hebben tot het netwerk; „universele dienst”: het minimale pakket van diensten van een bepaalde kwaliteit dat op het grondgebied van een partij tegen een betaalbare prijs beschikbaar is voor alle gebruikers, ongeacht hun geografische locatie; elke partij beslist over het toepassingsgebied en de uitvoering van de universele dienst; alsmede „nummerportabiliteit”: de mogelijkheid voor eindgebruikers van openbare elektronische-communicatiediensten om op dezelfde locatie dezelfde telefoonnummers te houden zonder dat de kwaliteit, de betrouwbaarheid of het gemak eronder lijdt wanneer binnen dezelfde categorie aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten van aanbieder wordt veranderd.

Rechtspraak bij dit artikel