Naar hoofdinhoud

TITEL VI › HOOFDSTUK 7 › AFDELING C › ONDERAFDELING III

Artikel 266

Grenshandhaving

Onderdeel van Brede en versterkte Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2021

1. Bij de tenuitvoerlegging van maatregelen aan de grens in verband met de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zorgt elke partij voor consistentie met de verplichtingen in het kader van de GATT 1994 en de TRIPS-Overeenkomst. 2. Om de doeltreffende bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten op het douanegebied van de partijen te waarborgen, stellen de respectievelijke douaneautoriteiten een reeks methoden vast om zendingen te identificeren die goederen bevatten waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, overeenkomstig de leden 3 en 4. Tot deze methoden behoren risicoanalysetechnieken die onder andere zijn gebaseerd op door de houder van een recht verstrekte informatie, verzamelde informatie en vrachtinspecties. 3. De douaneautoriteiten van elke partij treffen op verzoek van de houders van een recht maatregelen om het in het vrije verkeer brengen van goederen onder douanetoezicht op te schorten of goederen vast te houden, wanneer een inbreuk wordt vermoed op handelsmerken, auteursrechten en naburige rechten, geografische aanduidingen, octrooien, gebruiksmodellen, industriële modellen, topografieën van geïntegreerde schakelingen en kwekersrechten. 4. Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst vatten de partijen gesprekken aan over het recht van hun respectievelijke douaneautoriteiten om op eigen initiatief het in het vrije verkeer brengen van goederen onder douanetoezicht op te schorten of goederen vast te houden, wanneer een inbreuk wordt vermoed op handelsmerken, auteursrechten en naburige rechten, geografische aanduidingen, octrooien, gebruiksmodellen, industriële modellen, topografieën van geïntegreerde schakelingen en kwekersrechten. 5. Onverminderd lid 3 heeft een partij de vrijheid maar geen verplichting om deze procedures toe te passen op de invoer van goederen die door de rechthebbende of met diens toestemming in een ander land in de handel worden gebracht. 6. De partijen komen overeen samen te werken met betrekking tot de internationale handel in goederen waarvoor een vermoeden bestaat dat zij inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten. Tot dat doel stelt elke partij een contactpunt binnen zijn douanedienst in en stelt de andere partij daarvan in kennis. Dergelijke samenwerking heeft betrekking op de uitwisseling van informatie over mechanismen om informatie te verzamelen van de houders van rechten, over beste werkwijzen en ervaringen op het gebied van risicobeheerstrategieën, alsmede over methoden om zendingen te identificeren waarvan wordt vermoed dat zij inbreukmakende goederen bevatten. Elke informatie wordt verstrekt op een manier die de bepalingen van de bescherming van persoonsgegevens die op het grondgebied van elke partij gelden, ten volle eerbiedigt. 7. Zonder afbreuk te doen aan andere manieren van samenwerking is Protocol II inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden van toepassing op de grenshandhaving met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten. 8. Zonder afbreuk te doen aan de algemene bevoegdheden van het Partnerschapscomité is het subcomité douane als bedoeld in artikel 126 bevoegd om de correcte werking en de uitvoering van deze afdeling te garanderen, door prioriteiten vast te stellen en te voorzien in passende procedures voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van beide partijen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel