Naar hoofdinhoud

TITEL 6

Artikel 53

Bijstand in crisissituaties

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 1 oktober 2023

1. De speciale eenheden van de Verdragsluitende Partijen kunnen elkaar, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Verdragsluitende Partij, op verzoek bijstand verlenen in een crisissituatie, wanneer de middelen van de speciale eenheden van de verzoekende Verdragsluitende Partij ontoereikend of niet inzetbaar zijn of door de bijstand door speciale eenheden van de aangezochte Verdragsluitende Partij vertraging kan worden vermeden die het beëindigen van de crisissituatie zou bemoeilijken. 2. Van een crisissituatie als bedoeld in het eerste lid is sprake wanneer de bevoegde autoriteiten van een Verdragsluitende Partij op redelijke gronden kunnen aannemen dat een strafbaar feit een ernstige rechtstreekse fysieke of materiële bedreiging vormt voor personen, eigendom, infrastructuur of instanties op het nationale grondgebied. 3. De bijstand kan plaatsvinden door de terbeschikkingstelling van personeel en/of materieel. 4. Het verzoek om bijstand wordt, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Verdragsluitende Partij, door de speciale eenheden van de verzoekende Verdragsluitende Partij rechtstreeks aan de speciale eenheden van de aangezochte Verdragsluitende Partij gericht. 5. Het verzoek bevat een omschrijving van de aard, de duur en de specifieke doelstelling van het gewenste grensoverschrijdend optreden. 6. De aangezochte Verdragsluitende Partij neemt onverwijld een gemotiveerde beslissing op het verzoek. Van de beslissing wordt door de speciale eenheden van de aangezochte Verdragsluitende Partij zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de speciale eenheden van de verzoekende Verdragsluitende Partij. 7. De speciale eenheden van de aangezochte Verdragsluitende Partij en de verzoekende Verdragsluitende Partij maken praktische afspraken over de wijze van uitvoering van het bijstandsverzoek. 8. De leden van de speciale eenheden die op grond van dit artikel optreden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, hebben tijdens de uitvoering van dit grensoverschrijdend optreden dezelfde bevoegdheden als de leden van de speciale eenheden van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied zij optreden. Zij kunnen evenwel in geen geval bevoegdheden uitoefenen waarover zij niet beschikken in hun eigen land. 9. De leden van de speciale eenheden van de aangezochte Verdragsluitende Partij staan tijdens een grensoverschrijdend optreden als bedoeld in dit artikel onder het gezag van de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied het optreden plaatsvindt. Gedurende het optreden zijn zij gehouden de aanwijzingen en bevelen van het personeelslid van de speciale eenheden van de verzoekende Verdragsluitende Partij aan wie de leiding van het optreden toevertrouwd is, op te volgen. Ze handelen met inachtneming van het recht van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied het optreden plaatsvindt en, in de mate van het mogelijke, in aanwezigheid van leden van de speciale eenheden van deze Verdragsluitende Partij. 10. De bepalingen van de artikelen 34, derde lid, 36, tweede lid, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 49, 50 en 51 van dit Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op een grensoverschrijdend optreden als bedoeld in dit artikel. 11. Bij het ter beschikking stellen van materieel gaat een verzamelstaat, overeenkomstig het door de speciale eenheden vastgestelde model. Deze verzamelstaat wordt door de leden van de speciale eenheden van de verstrekkende Verdragsluitende Partij desgevraagd voorgelegd aan de speciale eenheden, de bevoegde diensten en de bevoegde autoriteiten van de ontvangende Verdragsluitende Partij.

Rechtspraak bij dit artikel