Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Intrekking, schorsing en oplegging van voorwaarden

Onderdeel van Verdrag inzake luchtdiensten tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Curaçao, en de Staat Koeweit· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 1 september 2019

1. De luchtvaartautoriteiten van elke verdragsluitende partij hebben het recht de in het eerste lid van artikel 4 van dit Verdrag vermelde vergunningen voor een door de andere verdragsluitende partij aangewezen luchtvaartmaatschappij te weigeren, en deze in te trekken, te schorsen of hieraan voorwaarden te verbinden, hetzij tijdelijk, hetzij permanent, wanneer: de luchtvaartmaatschappij haar voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening niet langer heeft op het grondgebied van de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen; de verdragsluitende partij niet daadwerkelijk controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft en de luchtvaartmaatschappij niet beschikt over een geldig bewijs luchtvaartexploitant afgegeven door de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen; de verdragsluitende partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst de in artikel 15 en artikel 16 vervatte bepalingen niet naleeft; of de aangewezen luchtvaartmaatschappij niet in staat is te voldoen aan andere in de wetten en voorschriften gestelde voorwaarden die de verdragsluitende partij die de aanwijzing ontvangt gewoonlijk toepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten. 2. Tenzij onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van inbreuken op de bovengenoemde wetten en voorschriften of tenzij de veiligheid of beveiliging maatregelen vereist in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15 of artikel 16 van dit Verdrag, worden de in het eerste lid van dit artikel vastgestelde rechten slechts uitgeoefend na overleg tussen de luchtvaartautoriteiten overeenkomstig artikel 17 van dit Verdrag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel