Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK DRIE › AFDELING A

Artikel 3.3

Overleg

Onderdeel van Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek van Singapore, anderzijds· Financieel en economisch recht

1. Wanneer een geschil niet kan worden beslecht overeenkomstig artikel 3.2 (Minnelijke schikking), kan een eiser van de ene partij bij de overeenkomst die schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) stelt, bij de andere partij bij de overeenkomst een verzoek om overleg indienen. 2. Het verzoek om overleg bevat de volgende informatie: de naam en het adres van de eiser en, indien het verzoek wordt ingediend namens een plaatselijk gevestigde onderneming, de naam, het adres en de plaats van oprichting van de plaatselijk gevestigde onderneming; de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) die zouden zijn geschonden; de wettelijke en feitelijke basis van het geschil, met inbegrip van de behandeling waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt; en de gevraagde maatregel(en) en het geraamde verlies of de geraamde schade die de eiser of zijn plaatselijk gevestigde onderneming door die schending zou hebben geleden. 3. Het verzoek om overleg wordt ingediend: binnen dertig maanden na de datum waarop de eiser of in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis kreeg of had moeten krijgen van de behandeling waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt; of indien bij het verstrijken van de onder a) bedoelde termijn nationale rechtsmiddelen zijn aangewend, binnen een jaar na de datum waarop de eiser of in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming de aanwending van die nationale rechtsmiddelen stopzet; en hoe dan ook niet later dan tien jaar na de datum waarop de eiser of in voorkomend geval zijn plaatselijk gevestigde onderneming voor het eerst kennis kreeg of had moeten krijgen van de behandeling waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt. 4. Ingeval de eiser binnen achttien maanden na de indiening van het verzoek om overleg geen verzoek overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) heeft ingediend, wordt hij geacht zijn verzoek om overleg en een eventueel bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen te hebben ingetrokken en afstand te hebben gedaan van zijn recht om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen. De bij het overleg betrokken partijen kunnen overeenkomen deze termijn te verlengen. 5. De niet-inachtneming van de in de leden 3 en 4 bedoelde termijnen leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van een verzoek indien de eiser kan aantonen dat hij als gevolg van een opzettelijke handeling van de andere partij bij de overeenkomst niet in staat was een verzoek om overleg in te dienen of het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen, mits de eiser handelt zodra dit redelijkerwijs mogelijk is. 6. Wanneer het verzoek om overleg betrekking heeft op een vermeende schending van deze overeenkomst door de Unie of door een lidstaat van de Unie, wordt het aan de Unie gezonden. 7. De partijen bij het geschil kunnen in voorkomend geval overleg plegen per videoconferentie of met gebruikmaking van andere hulpmiddelen, zoals in het geval van een eiser die een kleine of middelgrote onderneming is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel