Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK DRIE › AFDELING A

Artikel 3.7

Voorwaarden voor indiening van verzoek

Onderdeel van Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek van Singapore, anderzijds· Financieel en economisch recht

1. Een verzoek op grond van deze afdeling kan alleen worden ingediend indien: de eiser bij het desbetreffende verzoek een schriftelijke verklaring voegt dat hij instemt met geschillenbeslechting overeenkomstig de procedures van deze afdeling en de eiser een van de regels als bedoeld in artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht), lid 1, aanwijst als de regel voor de geschillenbeslechting; ten minste zes maanden zijn verstreken sinds de indiening van het verzoek om overleg overeenkomstig artikel 3.3 (Overleg) en ten minste drie maanden zijn verstreken sinds de indiening van het bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen overeenkomstig artikel 3.5 (Bericht van voornemen om geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen); het door de eiser ingediende verzoek om overleg en het door hem ingediende bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen voldoen aan de voorschriften van artikel 3.3 (Overleg), lid 2, respectievelijk artikel 3.5 (Bericht van voornemen om geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen), lid 1; over de wettelijke en feitelijke basis van het geschil voorafgaand overleg is gepleegd overeenkomstig artikel 3.3 (Overleg); alle maatregelen gevraagd in het verzoek om onderwerping van het geschil aan geschillenbeslechting in de zin van artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) zijn gebaseerd op de behandeling bedoeld in het bericht van het voornemen om het geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen in de zin van artikel 3.5 (Bericht van voornemen om geschil aan geschillenbeslechting te onderwerpen); de eiser: elke bij het Gerecht of enige andere nationale of internationale rechter op grond van nationaal of internationaal recht aanhangig gemaakte zaak met betrekking tot dezelfde behandeling als die waarvan wordt gesteld dat zij een schending van de bepalingen van hoofdstuk twee (Bescherming van investeringen) vormt, intrekt, verklaart dat hij in de toekomst geen dergelijke zaak aanhangig zal maken, en verklaart dat hij een uitspraak op grond van deze afdeling niet ten uitvoer zal leggen alvorens die definitief is geworden, en bij een nationale of internationale rechter niet in hoger beroep zal gaan tegen of niet zal verzoeken om toetsing van, vernietiging van, nietigverklaring van, herziening van of inleiding van een andere soortgelijke procedure met betrekking tot een uitspraak op grond van deze afdeling. 2. Voor de toepassing van lid 1, onder f), wordt met het begrip „eiser” de investeerder en in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming bedoeld. Voorts heeft het begrip „eiser” voor de toepassing van lid 1, onder f), i), ook betrekking op alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een eigendomsbelang hebben in de investeerder of in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming dan wel onder zeggenschap staan van de investeerder of in voorkomend geval de plaatselijk gevestigde onderneming. 3. Op verzoek van de verweerder verklaart het Gerecht zich onbevoegd indien de eiser de in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften niet in acht neemt of de daarin bedoelde verklaringen niet verstrekt. 4. Lid 1, onder f), belet de eiser niet om vóór de inleiding van een procedure bij of gedurende de behandeling van een zaak door een van de fora voor geschillenbeslechting als bedoeld in artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) de gerechtelijke of administratieve instanties van de verweerder om voorlopige beschermingsmaatregelen te verzoeken. Voor de toepassing van dit artikel hebben de voorlopige beschermingsmaatregelen uitsluitend ten doel de rechten en belangen van de eiser te beschermen en houden zij geen betaling van schadevergoeding of een oplossing met betrekking tot de grond van het geschil in. 5. Voor alle duidelijkheid: het Gerecht verklaart zich onbevoegd wanneer het geschil is gerezen, of het zeer aannemelijk was dat het zou rijzen, op het tijdstip waarop de eiser de eigendom van of de zeggenschap over de in geschil zijnde investering verkreeg, en het Gerecht op basis van de feiten vaststelt dat de eiser de eigendom van of de zeggenschap over de investering heeft verkregen met als hoofddoel overeenkomstig deze afdeling een verzoek in te dienen. Dit laat eventuele andere voor het Gerecht aangevoerde bezwaren ten aanzien van de bevoegdheid onverlet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel