Naar hoofdinhoud
1. Elke partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij de frequentie en capaciteit van het internationale luchtvervoer dat zij aanbiedt, bepaalt op basis van commerciële marktoverwegingen. 2. Geen van de partijen beperkt eenzijdig de omvang van het verkeer, de frequentie of regelmaat van een dienst, of de typen van door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een van de partijen geëxploiteerde luchtvaartuigen, tenzij dit nodig mocht zijn vanwege redenen op het gebied van douane, techniek, exploitatie of het milieu uit hoofde van uniforme voorwaarden die in overeenstemming zijn met artikel 15 van het Verdrag van Chicago. 3. De luchtvaartautoriteiten van de partijen kunnen eisen dat nieuwe of aangepaste diensten ter informatie worden geregistreerd voor aanvang van de exploitatie ervan, uiterlijk binnen tien (10) dagen of een kortere termijn. De registratie van bepaalde documenten ter informatie vereist door de luchtvaartautoriteiten van de ene partij, dienen zo eenvoudig mogelijk te zijn. Dit geldt eveneens voor de registratievereisten en -procedures die van toepassing zijn op de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij. 4. Geen van de partijen eist dat dienstregelingen, programma's voor chartervluchten of exploitatieplannen door luchtvaartmaatschappijen van de andere partij ter goedkeuring worden ingediend, tenzij dit op basis van non-discriminatie kan worden vereist ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uniforme voorwaarden als voorzien in het tweede lid van dit artikel of wanneer dit specifiek wordt toegestaan in dit Verdrag. Wanneer een partij indiening vereist voor informatiedoeleinden, beperkt zij de administratieve belasting ten gevolge van vereisten voor en procedures inzake indiening voor tussenpersonen voor luchtvervoer en voor de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij tot een minimum.

Rechtspraak bij dit artikel