In hun onderlinge betrekkingen worden de Hoge Verdragsluitende Partijen geleid door de volgende fundamentele beginselen:
wederzijds respect voor de onafhankelijkheid, soevereiniteit, gelijkwaardigheid, territoriale integriteit en nationale identiteit van alle staten;
het recht van elke staat op een nationaal bestaan zonder bemoeienissen, subversie of
dwang van buitenaf;
niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een ander land;
beslechting van geschillen of disputen met vreedzame middelen;
afzien van de dreiging met en gebruik van geweld;
doeltreffende onderlinge samenwerking.
HOOFDSTUK I
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Verdrag van Vriendschap en Samenwerking in Zuidoost-Azië· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 3 augustus 2022