Naar hoofdinhoud
1. Elke partij doet afstand van alle vorderingen tot schadevergoeding tegen de andere partij, alsmede tegen de leden van het personeel van die partij, tot vergoeding van schade die tijdens of in verband met de dienst wordt toegebracht aan het personeel of goederen van deze partij, in het kader van de tenuitvoerlegging van de in artikel 3 voorziene vormen van samenwerking, uitgezonderd in het geval van grove schuld of opzet. Onder grove schuld dient te worden verstaan een grove fout of grove nalatigheid. Onder opzet dient te worden verstaan een fout begaan met het oogmerk van de dader schade toe te brengen. De vaststelling van de zware of opzettelijke aard van de fout geschiedt in onderling overleg tussen de partijen. In het geval dat de in de eerste zin van dit lid bedoelde afstand niet van toepassing is, bepalen de partijen in onderling overleg de toerekenbaarheid van de schade en de daaruit voortvloeiende schadevergoeding. 2. Bij schade toegebracht aan goederen of personen van een derde partij door een lid van het personeel van de zendende partij, tijdens of in verband met de dienst, treedt de ontvangende partij bij de procedure in de plaats van de zendende partij. 3. De kosten van vergoedingen voor schade toegebracht aan derden wordt als volgt over de partijen verdeeld: wanneer de schade aan slechts een van de partijen is toe te rekenen, neemt deze partij de betaling van het volledige bedrag van de schadevergoeding voor haar rekening; wanneer de schade aan beide partijen is toe te rekenen, of het niet mogelijk is de verantwoordelijkheid aan de ene of de andere partij toe te schrijven, wordt het bedrag van de schadevergoeding gelijkelijk over de partijen verdeeld; de toerekenbaarheid van de schade en de daaruit voortvloeiende schadevergoeding worden in onderling overleg bepaald door de partijen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel