**1.** Alleen een dierenarts of een andere bevoegde persoon mag een klein huisdier doden, behalve in een noodsituatie om een einde te maken aan het lijden van een dier, wanneer diergeneeskundige of andere bevoegde hulp niet snel kan worden verkregen, of in alle andere onder de nationale wetgeving vallende noodsituaties. Het doden dient te geschieden met een minimum aan lichamelijk en geestelijk lijden, passend bij de omstandigheden. De gekozen methode dient, behalve in een noodsituatie ofwel
onmiddellijke bewusteloosheid en de dood te veroorzaken, danwel
te beginnen met het toedienen van een diepe algemene verdoving, die wordt gevolgd door een handeling die uiteindelijk en zeker de dood veroorzaakt.
Degene die verantwoordelijk is voor het doden, dient zich ervan te vergewissen dat het dier dood is voordat het kadaver wordt afgevoerd.
**2.** De volgende methode voor het doden zijn verboden:
verdrinking of andere wijzen van verstikking, indien deze niet de in het eerste lid, letter b, genoemde gevolgen hebben;
gebruik van een giftige stof of bedwelmend middel waarvan de dosis en de toediening niet zodanig beheersbaar zijn, dat ze het in het eerste lid bedoelde gevolg hebben;
elektrocutie, tenzij voorafgegaan door onmiddellijk verlies van bewustzijn.
HOOFDSTUK II
Artikel 11
Het doden
Onderdeel van Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2023