Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK VI

Artikel XIX

Verhouding van de staten die partij zijn tot deze Overeenkomst en de partijen bij de regionale overeenkomsten inzake erkenning en andere verdragen

Onderdeel van Mondiale Overeenkomst inzake de erkenning van kwalificaties in het hoger onderwijs· Onderwijsrecht

1. De bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot een van de regionale overeenkomsten inzake erkenning is geen noodzakelijke voorwaarde voor de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot deze Overeenkomst. 2. De staten die partij zijn bij deze Overeenkomst: Bevorderen wederzijdse ondersteuning tussen deze Overeenkomst en andere verdragen waar zij partij bij zijn, in het bijzonder de regionale overeenkomsten inzake erkenning; en Houden rekening met de relevante bepalingen van deze Overeenkomst bij het uitleggen en toepassen van de regionale overeenkomsten inzake erkenning waar zij partij bij zijn of wanneer zij andere internationale verplichtingen aangaan. 3. Niets in deze Overeenkomst mag zo worden uitgelegd dat het de rechten en verplichtingen van de staten die partij zijn ingevolge de regionale overeenkomsten inzake erkenning en andere verdragen waar zij partij bij zijn verandert. 4. Om een coherente interactie tussen deze Overeenkomst, de regionale overeenkomsten inzake erkenning, eventuele andere relevante bilaterale of multilaterale verdragen en eventuele andere bestaande of toekomstige verdragen of overeenkomsten waar een staat die partij is bij deze Overeenkomst mogelijkerwijs partij is of wordt, te waarborgen wordt niets in deze Overeenkomst geacht afbreuk te doen aan bepalingen van een gunstigere strekking inzake erkenning, met name bepalingen over nationale informatiecentra, netwerken en aanzienlijke verschillen.

Rechtspraak bij dit artikel