Naar hoofdinhoud

Artikel 16

Doortocht

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2023

1. Elke Partij kan de doortocht door haar grondgebied toestaan van een persoon die aan de andere Partij is overgeleverd door een derde partij in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en de nationale wetgeving, tenzij dit in strijd is met het algemeen belang. 2. De Partij die om doortocht verzoekt dient via de centrale autoriteiten, of in bijzonder dringende gevallen via de Internationale Criminele Politie Organisatie (Interpol), een verzoek in met de identiteitsgegevens van de persoon in doortocht en een beknopte uiteenzetting van de feiten van het geval. Het verzoek tot doortocht gaat vergezeld van een afschrift van het document waarin de uitlevering wordt toegestaan. 3. De Staat van doortocht houdt de persoon in hechtenis zolang genoemde persoon zich op zijn grondgebied bevindt. 4. Er is geen toestemming vereist in geval van vervoer door de lucht, waarbij geen landing op het grondgebied van de Staat van doortocht is voorzien. Indien een onvoorziene landing plaatsvindt op het grondgebied van de voornoemde Staat, stelt de Partij die om de doortocht verzoekt onmiddellijk de Staat van doortocht daarvan in kennis en laatstgenoemde houdt de persoon die vervoerd dient te worden maximaal 48 uur vast in afwachting van het verzoek tot doortocht, bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

Rechtspraak bij dit artikel